Digitale autonomie is niet hetzelfde als digitale soevereiniteit

In oktober 2025 publiceerde de Vereniging van Nederlandse Gemeenten een position paper over digitale autonomie. Daar staan vooral heel veel open deuren in, al is het fijn om te zien dat er wel een adequaat besef is bij de organisatie dat de vlag er niet goed bij hangt, en dat er wordt nagedacht over concrete oplossingsrichtingen.

Een van de onderdelen die ik leuk vind uit deze paper is de nadruk op het gebruik van open-source oplossingen. Hier is al veel over gezegd (vooral door de overheid zelf) en ik wil die discussie niet per se opnieuw opstarten, maar ik wil er wel over gezegd hebben dat ik hoop dat de overheid zich realiseert dat er dan ook een significante bijdrage moet worden geleverd aan het ecosysteem. Ruben van der Linde heeft hier een belangrijke analyse voor geleverd.

Waar ik vooral op aansloeg, is het nadrukkelijk gemaakte onderscheid tussen digitale soevereiniteit en digitale autonomie, die ik hier graag nog even wil uitlichten.

Digitale soevereiniteit

Laten we starten met de term digitale soevereiniteit. Deze term komt het meeste in het nieuws de laatste tijd. Dat is op zichzelf vreemd, omdat dit een subset is van digitale autonomie. Dat wil zeggen: Als je digitaal soeverein bent, ben je automatisch ook digitaal autonoom. Andersom is dat niet het geval. Ik zou daarom verwachten dat de maatschappelijke discussie zich zou richten op de digitale autonomie.

Wellicht denk je nu: “Dat is waarschijnlijk een semantische discussie. De discussie gaat inhoudelijk vast wèl over autonomie!” Maar dat zou een misvatting zijn. De maatschappelijke discussie gaat vrijwel enkel over de soevereiniteit.

Digitale soevereiniteit betekent dat een organisatie juridische en bestuurlijke controle heeft over haar digitale infrastructuren, data en systemen. Dit is de definitie zoals deze wordt definieerd in de Visie Digitale autonomie en soevereiniteit van de overheid. Een belangrijk component hiervan is datasoevereiniteit. De focus op dit component, ook in het maatschappelijke debat, is natuurlijk ingegeven door de zorgen over het respecteren van privacy en bijbehorende wetgeving door de Amerikaanse overheid en sommige bedrijven daar. Dat is ook geheel terecht.

Digitale autonomie

De andere term is dus digitale autonomie. Hierbij gaat het om “het vermogen van
de overheid om autonoom te handelen en beslissingen te nemen
over haar digitale technologie.”
Interessant hierbij is dat niet alleen wordt gekeken naar de beslissingen in het digitale domein, maar ook daarbuiten. In dat geval is het uitgangspunt voor digitale autonomie dat het digitale domein de beslissingsmogelijkheden in de “echte” wereld niet mag belemmeren. Het bekendste voorbeeld waarin dit wel gebeurde, is natuurlijk de blokkade van het Internationaal Strafhof door de Verenigde Staten.

En dit is dus ook waarom het mij verbaast dat we het maatschappelijk vaak hebben over digitale soevereiniteit. Dat is niet passend binnen de geopolitieke context waarin deze discussie plaatsvindt. De overheid heeft dit gelukkig wel door. Dit was al het geval in 2023 met de Agenda Digitale Open Strategische Autonomie.

Wel jammer dat er dan toch een staatssecretaris voor digitale soevereiniteit is, in plaats van digitale autonomie.

Je presteert beter als je een pak aan hebt

Er zijn een aantal vakgebieden waarbij ik altijd heel sceptisch ben als ze nieuwe “ontdekkingen” doen. Een daarvan is de psychologie. Waarschijnlijk komt dat cynisme door onderzoeken als het beroemde Stanford-gevangenisexperiment of het experiment van Milgram. Zo heeft Philip Zimbardo een deel van zijn leven gewijd om aan te tonen via zijn experimenten dat de mens inherent slecht is, om vervolgens het andere deel van zijn leven precies het tegenovergestelde proberen te bewijzen.

Helaas voor hem luisteren we alleen naar wat we willen horen. Éric Zemmour zei het mooi, al versprak hij zich enkel: “Je ne vois que ce que je crois”. In goed Nederlands: “Ik zie slechts wat ik geloof”. Deze uitspraak is ook de bron van de titel van de laatste essay van Roxane van Iperen: Ik zie wat ik geloof.

Toch is er een onderzoek uit 2012 waar ik me graag aan vastklamp op de vraag waarom ik elke dag een pak draag. In dat onderzoek spelen deelnemers Zoek de verschillen. Een spel waar je geen complexe capaciteiten voor hoeft te ontwikkelen, en al helemaal geen spel waar je kledingkeuze invloed heeft op de uitkomst. Toch blijkt er een significant verschil in aantal verschillen dat de deelnemers vinden, op basis van de kleding die ze dragen.

Deelnemers die een labjas krijgen met het verhaal dat het een doktersjas betreft, presteren aanzienlijk beter dan deelnemers die dezelfde labjas krijgen, maar denken dat het een schildersjas is. De mate van professionaliteit die je associeert met je uiterlijk, heeft invloed op je prestaties. Dit fenomeen noemen de onderzoekers Enclothed cognition.

Omdat dit onderzoek mijn kledingstijl wetenschappelijk ondersteunt, kies ik ervoor om de betrouwbaarheid van dit onderzoek verder niet in twijfel te trekken. En anders is er altijd nog het argument dat mannen aantrekkelijker zijn in een pak, zelfs als dat niet wetenschappelijk is aangetoond.